Gedichten

 

Fröhlichkeit

Fröhliche Menschen
streuen Blumen
auf den grauen Teppich
des Lebens –
ihren Schwung und Elan
zu hemmen
erweist sich als unnütz
und vergebens –

Sie zählen nur
die hellen Sonnenstunden,
greifen fröhlich
nach dem bunten Falter,
sehen trotz aller Pflicht
die farbig schöne Welt –
bewahren sich ein junges Herz
bis ins hohe Alter

Hilda Ausserlechner

Filosofie

Dat alles is,
zoals het is,
heeft zin,
dat is gewis.
Want alle ding
is ergens dóór,
en alle dingis ergens vóór.

Wat ’t eind is
voor het één, dat is
voor ’t ander
het begin!

 

Andreas Wijgmans, (1925-2020)



De mol
Ondergronds, in het donker
wroet
en wroet de onvermoeibare mol,
zijn snoet,
spits en teer, fijn behaard,
snuft de lucht
van ander, eetbaar leven:
larven, wormen, poppen,
daar leeft hij van,
hij gaat zijn gangen na.Dan,
na nijvere nacht,
wil hij omhoog, de aarde uit;
met kracht van sterke, platte
handen’
graaft hij gestaag,
al hoger hoopt zijn hoop
in stille morgen.
Kijk, kijk!
steeds weer beweegt
de kruimelkruin,
nóg is het dier verborgen.
Dáár komt hij,
zichtbaar in het licht,
dat hem omlaait, omaait, omlicht,
bijna verblindt,
maar hem begroet
als aardekind,
dat zich verhief, één ogenblik
waarop het licht hem kust,
hem zegt:Welkom!
Breek dóór, ontmoet!
Heb lief!

Andreas Wijgmans, (1925-2020)