Gedichten

Teder en jong, als werd het voorjaar
maar lichter nog, want zonder vruchtbegin,
met dunne mist tussen de gele blaren
zet stil het herfstgetijde in.

Ik voel alleen, dat ik bemin,
zoals een kind, iets jongs, iets ouds,
eind of begin? Iets zo vertrouwds
en zo van alle strijd ontheven –
niet als een einde van het leven,
maar als de lente van de dood.

De kruinen ijl, de stammen bloot
en dit door stilte en mist omgeven.

 Vasalis

 

(ingezonden door het convent)

Zijn enige raadsel: hóe
het is; hoe het daaropvolgende

niets maar dan ook niets
heeft te zeggen.

Dat ik recht sta tussen opgaand gewas.
En wat mij omgeeft als een wereld
bezit neemt van mij, zoals ook wat
ik als een nevel omfloerst houd
door mij genomen wil zijn

tot bezit. Hoor! Zoals de steen de beek
splijt, zwijgt glanzend de kastanje;
nooit omhelst de mierenleeuw zijn mier
en helpt hem de trechter uit, terug
zijn mierse vrijheid in.

 

Hans Favery (1933 – 1990)

Uit: Reeks tegen de dood

 

 

 

(ingezonden door Eva Delacher)

Moment

 

Soms hoor ik onverwacht weer achter

gewone woorden die je uit

een zoveel zuiverder en zachter

adembenemeder geluid,

dat ik opnieuw naar je moet kijken

of ik je nooit tevoren zag.

Laat al die jaren maar verstrijken;

zolang ik dit bewaren mag

kan jou en mij de tijd niet deren:

weer voor het eerst met je alleen

hoor ik de harmonie der sferen

door alledaagsheid heen.

 

 

J.P. Rawie 2004 (*1951)

 

(ingezonden door Eva Delacher)